Camellia sinensis – twee eenvoudige Latijnse woorden die een universum aan smaak, geschiedenis, filosofie en ritueel ontsluiten. Wie zich werkelijk verdiept in thee, en niet zomaar het infusieachtige aftreksel dat in westerse supermarkten als “thee” door het leven gaat, begrijpt: alles begint en eindigt bij deze ene struik. Alles wat zich buiten de botanische grenzen van Camellia sinensis bevindt, verdient de naam “thee” domweg niet. Infusies van rooibos, munt, hibiscus of kamille? Noem het gerust een kruidendrank. Maar geen thee. De ware connaisseur wéét beter.
De botanische blauwdruk: een struik met karakter
Camellia sinensis is een groenblijvende struik afkomstig uit Zuidoost-Azië. In het wild kan hij uitgroeien tot een boom van wel vijf meter hoog, maar in gecultiveerde vorm wordt hij laag gehouden, rond een meter of anderhalf. Niet uit gemakzucht, wel uit finesse: een lage struik is beter te plukken, en laat nu net die pluk het verschil maken tussen grof boerenwerk en sublieme ambacht.
Er bestaan twee hoofdvariëteiten: Camellia sinensis var. sinensis en Camellia sinensis var. assamica. De eerste, met kleinere blaadjes, is kouderesistent en wordt veel verbouwd in China, Taiwan en Japan. De tweede, met bredere bladeren, is robuuster, groeit sneller, en is dominant in Assam en andere tropische regio’s van India en Sri Lanka. De meerwaardezoeker weet natuurlijk dat de sinensis-variant de fijnere aroma’s oplevert, meer florale complexiteit, minder brute bitterheid. Assamica’s daarentegen leveren body – en zijn daarom geliefd in zogeheten “breakfast blends” voor de massa. Wees eerlijk: wie voor die blends valt, leest ook literaire samenvattingen in plaats van Tolstoj zelf.
Van blad tot beker: wat Camellia sinensis onderscheidt
Wat Camellia sinensis zo uitzonderlijk maakt, is zijn chemisch profiel. De bladeren bevatten polyfenolen (zoals catechinen en tannines), aminozuren (vooral theanine), cafeïne (juist, theïne), en vluchtige aroma’s die onder invloed van oxidatie, verwelking, rollen en roosteren volledig kunnen transformeren. Hetzelfde blad kan, afhankelijk van de verwerking, een jasmijnachtige groene thee, een umami-bom als gyokuro, een rokerige lapsang souchong of een diep aardse shou pu-erh worden. Een druif geeft wijn. Camellia sinensis schenkt werelden. 🍃
De fijngevoeligheid van de plant voor terroir – bodem, klimaat, hoogte, ochtendmist, schaduw – is legendarisch. Dit verklaart waarom een Longjing uit Hangzhou niet hetzelfde is als een Longjing uit Sichuan. Of waarom een Da Hong Pao van de rotsen in Wuyishan onnavolgbaar blijft. Elke pluk is een snapshot van het moment, een theïsche vorm van mono no aware. Alleen wie durft te proeven met zijn ziel, begrijpt dit.
Waarom Camellia sinensis geen modegril is
Er bestaan veel modeverschijnselen in het culinaire landschap – blauwe lattes, matcha in donuts, of chai met havermelk en vanille-extract (een cultureel misverstand waar men in Darjeeling spontaan nerveuze tics van krijgt). Maar Camellia sinensis is geen hype. Het is een cultuurdrager. De plant is al minstens 3000 jaar in gebruik in China, waar hij zowel medicinaal als spiritueel werd ingezet. In Japan ontwikkelde zich de theeceremonie, chanoyu, tot een zen-esthetische praktijk die meer over leegte en aandacht zegt dan over dorst. In Tibet werd hij met yakboter en zout tot tsampa vermengd – niet bepaald fijnzinnig, maar wél onmisbaar. En in Engeland? Daar goot men het, in het beste geval, over scones. Laten we daar niet te lang bij stilstaan.
Wie denkt dat thee slechts een warm drankje is, begrijpt de kracht van Camellia sinensis niet. Dit is een plant die oorlogen veroorzaakte (de Opiumoorlogen), dynastieën beïnvloedde, hele dorpen hun identiteit schonk en zelfs filosofische scholen inspireerde. Ja, men mediteert met thee. Niet met energiedrank. 🍵
Welke rol speelt oxidatie eigenlijk in het theespectrum?
Oxidatie is hét bepalende element dat de verscheidenheid aan theesoorten mogelijk maakt. Een groen blad dat direct na de pluk wordt gestoomd of verhit (zoals bij sencha of longjing), behoudt zijn groene kleur en grassige tonen. Laat men de enzymen echter hun werk doen, dan ontstaat een spectrum dat begint bij witte thee, doorloopt naar oolong (half-geoxideerd), tot aan zwart (volledig geoxideerd) en post-gefermenteerd zoals pu-erh.
Een waarlijk boeiende theesnob weet dat oxidatie niet louter binair is – het is geen aan/uit-schakelaar. Tussen 10% en 90% oxidatie ligt een universum aan subtiliteit. De ‘yan yun’ (rotscharisma) van een Wuyi oolong kan nooit bereikt worden met de brute oxidatie van een CTC-geproduceerde English Breakfast. De tweede wordt geproduceerd voor de massa, de eerste voor contemplatie.
Let ook op de rol van fermentatie, vaak verward met oxidatie. Bij sheng pu-erh bijvoorbeeld ondergaat de thee een natuurlijke, langzame fermentatie die over jaren zijn profiel ontwikkelt. Dit maakt het verzamelen van pu-erh niet alleen een hobby, maar ook een belegging met smaakdividend. Sommige cakes uit Yunnan leveren rendementen op waar zelfs Wall Street van gaat watertanden.

Waarom terroir, cultivar en handpluk het verschil maken
Elke ware theemeester weet: je drinkt niet zomaar “groene thee”. Je drinkt een Anji Bai Cha van een bepaald perceel, op 800 meter hoogte geplukt, in de lente van een bijzonder jaar, met een noordoostelijke wind die net genoeg vocht heeft meegebracht om de knoppen sappig te houden zonder te rotten. Zo drink je thee.
De cultivar – de specifieke genetische afstamming van de Camellia sinensis – bepaalt het smaakprofiel. Een Tie Guan Yin heeft een ander bladtype en aromatisch spectrum dan een Bai Hao of een Yabukita. Alleen een idioot gooit die allemaal op één hoop. En de handpluk? Die is essentieel. Thee van machines heeft de finesse van een bulldozer in een bonsaituin. Alleen met de vingers kunnen de jongste topjes (de beroemde “two leaves and a bud”) selectief worden geplukt. Dat is geen luxe, dat is voorwaarde.
En dan hebben we het nog niet gehad over de timing. De eerste pluk, of first flush, heeft een etherisch parfum dat in latere plukken onherhaalbaar is. Een goede Darjeeling eerste pluk ruikt naar lente, naar jonge perzik en narcissen. Een slechte ruikt naar karton. Helaas weet de supermarktbezoeker het verschil niet meer. Daar ligt onze missie. 💎
Wat zegt jouw smaakvoorkeur over jou als theedrinker?
Drink je graag gyokuro? Dan ben je hoogstwaarschijnlijk een liefhebber van subtiliteit, complexiteit en umami. Misschien zelfs een estheet met een hang naar ritueel. Geef je de voorkeur aan lapsang souchong? Dan hou je van karakter, rook en ruwe mannelijkheid – het equivalent van een sigaar zonder tabak. Witte thee drinkers zijn vaak dromers, puristen, verstild en zacht. Wie zich laaft aan shou pu-erh, zoekt dan weer de diepte van humus, de geur van aarde na regen, de echo van vergankelijkheid.
En wat met de liefhebber van Ceylon-thee met melk en suiker? Ach. Laten we beleefd zwijgen. Zelfs zij verdienen verlossing – al is het maar door hen een goede tie guan yin te laten proeven. Soms moet men de hemel even proeven om de hel te herkennen.
Waarom Camellia sinensis de spil is van culturele verfijning
Wie thee reduceert tot een drankje, snijdt zichzelf af van eeuwen culturele ontwikkeling. Camellia sinensis staat symbool voor wat oosterse verfijning, aandacht en seizoensbewustzijn vermag. De Japanse theeceremonie draait niet om de thee alleen, maar om harmonie (wa), respect (kei), zuiverheid (sei) en rust (jaku). Allemaal geworteld in de Camellia sinensis. Geen andere plant draagt zo’n filosofisch gewicht. Geen enkele druivensoort, geen enkel koffieboontje, geen enkele cacaopeul komt in de buurt.
De ware theeliefhebber is dus geen trendvolger. Hij is een estheet. Een minimalist. Een romanticus. Maar bovenal: een leerling van de Camellia sinensis. Want wie goed luistert naar het blad, leert zwijgen. En pas in het zwijgen proef je het verschil. 🍂

